ARJAN BRONDIJK: Stoppen
Goed? In mijn gedachten wel. A thru legend in his own mind. Nu hebben veel voetballers een gebrek aan relativiseringsvermogen, maakt niet uit op welk niveau ze actief zijn. De betaalde krachten dwepen met belangstelling van andere clubs, lekken informatie naar de pers en sturen aan op een conflict als hij wordt gepasseerd. Zelden kijkt hij in de spiegel en vraagt zich af waarom de trainer hem op de bank zet, of nog erger, naar de tribune verbant. En omdat amateurs zich doorgaans spiegelen aan hun idolen, viert ook daar laster en achterklap welig als ze buiten de basis worden gelaten en op de bank moeten starten.
Heb de uitdrukking ‘op de bank starten’ overigens nooit begrepen. Vond het eerlijk gezegd een zinloze bezigheid en hoezo ‘starten’? Mijn teamgenoten die ook in de te kleine dug-out plaats moesten nemen leefden mee met de geluksvogels in het veld, althans zo kwam het op mij over. Aanvallende of verdedigende acties werden doorgaans luidkeels van commentaar voorzien en er werd hartstochtelijk gejuicht als er werd gescoord. Mij interesseerde het geen zier. De verrichtingen op het veld konden me nooit boeien, in gedachten was ik elders en het enige wat ik hoopte was dat de trainer een rolberoerte zou krijgen, mijn ploegje snel op 0-2 werd gezet en de speler die mijn plaats had ingenomen door diens tegenstander over de hekken werd getrapt.
Asociaal? Ja. Schaam ik me ervoor? Geenszins. Niets menselijks is mij vreemd en als je denkt dat je goed bent wil je het tegendeel niet horen. Overtuigd van eigen kwaliteiten. Kwaliteiten die op den duur op waarde werden geschat, zo leek het. De testwedstrijd was de eerste horde, een gouden toekomst lonkte. De waarheid lag echter anders en kwam hard aan. Zeker voor een kereltje van amper vijftien jaar oud. Later, relativerend (wat haat ik dit woord), bleek dat de beste man het bij het rechte eind had. Goed? Zeker. Maar niet goed genoeg.
Toen het kwartje met donderend geraas was gevallen, bleek het doorlopen van de diverse scholen ook een peulenschil. Vóór mijn vijftiende leken mijn rapporten op een gemiddelde voetbaltoto: ééntjes, tweetjes en drietjes, met uitschieters voor Engels en wiskunde. Nadien was ik zwaar teleurgesteld als ik een zeventje had gescoord. Engels en wiskunde sprongen er ook nu positief uit, wat mij deed besluiten Nederlands en Duits te gaan studeren. Tegen alle adviezen in van smekende docenten, dwars, toen al. Tegen een bal trappen ben ik blijven doen, zij het op een bescheiden niveau. Mijn voetbalcarrière kende een aantal dieptepunten, veel hoogtepunten en een paar gitzwarte bladzijden. Zo eindigde mijn afscheidswedstrijd met bloemen, een gesigneerde bal van alle medespelers en een doos bier (why?) op 35-jarige leeftijd met een rode prent binnen het kwartier.
Vervolgens begonnen de voetballoze jaren, verdwenen de wilde haren en kwamen de rimpels en de kilo’s. Tot ik ruim vier jaar geleden – na enig aandringen – de draad weer oppakte. Aanvankelijk met veel plezier, inmiddels met steeds grote wordende tegenzin. Tegenspelers waar ik als twintiger drie maal omheen liep, laten mij nu hun hielen zien, mijn rug voelt na negentig minuten ploeteren als een blok beton, de kuiten als ballonnen en het herstel vergt zeker anderhalve dag. Bovendien schijnt Pluvius er genoegen in te scheppen om elke zaterdag om half drie van zich te doen spreken en om kwart over vier de waterkraan weer dicht te draaien. Kleddernat, mismoedig en kreupel bereik ik de kleedkamer. Ik verafschuw het gras, de tegenstander, de bal, de cornervlag, de doelnetten, mijn voetbalschoenen. En ik denk op zulke momenten slechts aan één ding: stoppen. Hijgend en napuffend op de houten bankjes ruik ik echter het zweet, kijk naar mijn medespelers die er evenmin topfit uitzien en hoor de verhalen. Verhalen die steeds kleurrijker worden, sterker, op het randje en er soms overheen. Voetbalhumor in optima forma. Aan een buitenstaander niet uit te leggen. En dan overheerst het gelukzalige gevoel dat dit is wat ik heb gemist in mijn voetballoze jaren.
Pluvius, volgende week begint de wedstrijd om één uur. Ik ben er klaar voor.
Arjan Brondijk
Reacties (0)