ARJAN BRONDIJK: Opgeheven hoofd
'Voetballen niet moeilijker maken dan het is', las ik ergens in een interview met Arent Bekhof, die faam verwierf als ambassadeur van de Nederlandse voetbalschool. De oefenmeester uit Bergum, docent van de KNVB, gaf onder meer trainingsdemonstraties in Zuid-Korea, China en Japan. Als clubtrainer oogstte hij succes met ACV, door met de Asser zaterdagclub kampioen te worden in de hoogste klasse.
Ik kreeg voor het eerst met de beste man te maken tijdens de cursus oefenmeester twee. Iemand met een duidelijke visie op voetbal. Een groot verteller ook. Over zijn vader bijvoorbeeld, die junior moest aangeven bij de burgerlijke stand en een klein spelfoutje maakte in de met moeders afgesproken voornaam. Vandaar de 't'. Wat mij het meest is bijgebleven is zijn uitspraak: 'Belangrijk als trainer is het om op het juiste moment bij een club binnen te stappen; belangrijker is het om op het juiste moment weg te gaan'.
Een waarheid als een koe, leert de praktijk, zeker in de schijnwereld die 'voetbal' heet.
Neem John de Wolf, die bij WKE de ondankbare taak had André Paus op te volgen. Een schier onmogelijke opgave zo bleek, want voor de voormalige verdediger van onder andere FC Groningen en Feyenoord was er op voorhand geen eer te behalen bij de kampbewoners uit Emmen. Paus had de club naar de algehele landstitel geloodst en het maximaal haalbare was een hernieuwd kampioenschap. En dat nog had menigeen waarschijnlijk gewezen op De Wolfs voorganger, die een jaar daarvoor de stevige basis had gelegd voor het succes.
Bekhof zelf heeft dit in de beginjaren negentig ook zelf ervaren bij Harkemase Boys, dat net was gepromoveerd naar de hoofdklasse en onder zijn leiding een uiterst moeizaam seizoen doormaakte op het allerhoogste amateurniveau. Uiteindelijk blies Bekhof na dat seizoen roemloos de aftocht, of zoals dat in voetbaljargon heet: club en trainer besloten in goed overleg de verbintenis te ontbinden. De Wolf had minder 'geluk' en werd ontslagen. Iets was hem bij Haaglandia en Türkiyemspor (na een aantal titels en de beker) ook was overkomen.
'Binnenstappen' en 'weggaan' lijken onlosmakelijk verbonden met de kort na de oorlog geboren Aad de Mos. De Hagenaar kende een droomstart van zijn carrière met successen bij Ajax, KV Mechelen en Anderlecht. Ietwat overmoedig geworden zwaaide De Mos vervolgens de loftrompet over zichzelf door bij zijn aantreden bij PSV van de daken te schreeuwen dat hij 'een garantie is voor succes'. Helaas voor de Eindhovenaren was dit niet het geval. Ook de prijzenkasten bij de grote reeks clubs die volgden werden niet aangevuld met blingbling. Alleen met Al-Hilal pakte hij in 2004 de beker, twaalf jaar na het kampioenschap bij Anderlecht. En bij De Mos' laatste werkgever, het roemruchte S-P-A-R-T-A (naar vóóóóóóóren), ging het – zoals bekend – eveneens niet van een leien dakje. De oefenmeester werd met veel tromgeroffel binnengehaald, maar slaagde er niet in de tweede club van Rotterdam voor de eredivisie te behouden. De Mos toverde de ene na de andere tactiek uit de hoge hoed en veranderde vaker van opstelling dan Elizabeth Taylor van echtgenoot, met als resultaat dat de zwalkende Spartanen bleven dolen. Helmond Sport werd weliswaar nog met veel pijn en moeite (en een dosis geluk) bedwongen, stadsgenoot Excelsior bleek een te grote horde.
'Met alle respect, ik ga niet in de Jupiler League werken', knorde De Mos na de degradatie door de kier van de zijdeur. Het had hem gesierd om juist wél de strijd aan te gaan en de Rotterdammers terug te brengen op het hoogste niveau, om vervolgens door de voordeur afscheid te nemen. Op het juiste moment. En met opgeheven hoofd.
Arjan Brondijk
Reacties (0)