Geen vervoer
Met zijn nieuwe scheenbeschermers zag mijn zes jaar oude zoon er uit als een mini-Transformer. Het was een en al zilver en oranje en met de bepantsering van een kleine tank. Ik dacht: als iemand daar tegenaan trapt heeft hij of zij alle middenvoetsbeentjes gebroken. In de tijd dat Mud, Rob de Nijs en Suzi Quatro de hitlijsten bevolkten hadden wij of helemaal geen scheenbeschermers, of van die rode pannenlappen met stokjes erin. Als je ze op de kop hield, vielen die stokjes er uit. Dat type koos je niet uit twintig andere modellen die toevallig in de mode waren, het was zowat het enige model. De andere optie was een soort afgezaagde bobslee, die tijdens het rennen je knieschijf van de plaats drukte.
In vergelijking met de blingbling-jeugd van nu liepen wij er bij als bootvluchtelingen. De clubkleuren van S.E.T.A. waren wit met blauw, maar dat haalden we bijna nooit. De moeders van toen gooiden nog wel eens indigo sokken of een rood spencertje bij de witte was en er was altijd iemand die uit de doos met gevonden kleren dat eeuwige vaalzwarte broekje moest pakken. In geval van nood werd niet moeilijk gedaan over rode of gele sokken, de rugnummers werden er met paktouw opgenaaid en in ons team waren er twee met nummer 7. We hadden het geluk dat we elkaars namen wisten, want aan de hand van het tenue was herkenning niet meer mogelijk. Mijn zoon kreeg na drie proeftrainingen een shirt van de club. Dat hadden wij pas in de A-junioren, uitgewoonde vodden van het eerste. Ik wilde als twaalfjarige blitse schoenen van het merk Charlie Nicholas, ik kreeg keiharde sleepboten waarvan de neuzen na één wedstrijd al omhoog krulden.
Het grootste probleem in mijn jonge jaren was evenwel niet de outfit. Dat was het vervoer, of beter, het gebrek er aan. Met jaloerse blik keek ik in het half jaar dat mijn zoon speelde (hij is alweer gestopt) naar de batterij moeders en auto’s die op zaterdagochtend paraat stonden om de acht leden van F2 naar het twee kilometer verderop liggende Schildwolde te vervoeren. Ieder kind had een achterbank voor zichzelf. Wij hadden nooit vervoer. Of we gingen veel te laat weg, of een toevallig aanwezige ouder reed drie keer van Musselkanaal naar Sellingen of de club belde gewoon af.
‘Geen vervoer’, is het mantra van mijn juniorentijd. Als ik op sportcomplex Ceresdorp arriveerde keek ik eerst op de parkeerplaats. Zag ik bekende auto’s dan slaakte ik een zucht van verlichting. Ik ging door de grond als er alleen een fiets tegen het hek stond. Soms was de kantine zelfs dicht. Wanneer er stond: aanvang elf uur, vertrek kwart over tien en om twintig over tien was er nog niemand, dan zat ik alweer in doodsangst. Waarom mijn eigen vader nooit mee ging weet ik eigenlijk niet. Hij lag op dat tijdstip waarschijnlijk plat op de grond in de kamer, stijf van de zenuwen omdat hij ’s middags zelf moest voetballen.
Hoe andere clubs het deden was een raadsel, bij ons had je geluk als om half elf een morsig type uit het vijfde in een aftandse Ford Granada aan kwam brullen, die afgaand op het geluid en de zwarte rook uit de uitlaat (als die er onder zat), op drie cilinders liep. Wanneer zo’n figuur eindelijk arriveerde was het ook niet van inladen en weg want we zijn al laat, nee, meneer moest eerst koffie, draaide met trillerige handen een zware Van Nelle en waggelde hoestend en rochelend naar het toilet waar ie uitgebreid ging zitten schijten.
Een van de meest traumatische ervaringen was dat we met de C-s of D-s na een wedstrijd bij Wagenborgen of zo geen vervoer terug hadden. Ik kan me niet herinneren waar onze leider was, als we al een leider hadden, maar op zeker moment, de wedstrijd was al een uur afgelopen, kregen we bericht dat de secretaris onderweg was. Hij had een besteleend en moest dus twee keer op en neer om alles weer in Musselkanaal te krijgen. Een teamgenootje was – niet helemaal onbegrijpelijk – het wachten beu en bleek alvast gaan lopen, zodat we, ik zat natuurlijk in de laatste rit, eerst op zoek moesten. Uiteindelijk vonden we hem, op een hek in de buurt van Nieuwolda. Hij zwaaide ook nog naar ons en wees olijk op zijn horloge. Waarop de secretaris zwaar geïrriteerd opmerkte: ‘Zolst hom nait in de pinze trappen?’, wat vrij vertaald zoiets betekent als: ‘zou je hem niet in elkaar trappen?’, ook in die dagen geen alledaagse opmerking van een volwassene tegen een tiener. Al begreep ik de frustratie. Je zal met een man minder terugkomen omdat je die kwijt bent.
Ik kwam tot rust in elftallen waar alle spelers zelf een auto hadden, maar tot op de dag van vandaag ga ik panisch met afspraken om. Ik wil nooit meer ergens te laat komen. Als ik om twaalf uur afspreek, ben ik daar om twaalf uur. Dat levert goedkeurende knikjes op: ‘Keurig. En dat voor een journalist.’ Meestal ben ik zelfs een half uur te vroeg omdat ik rekening hou met stoplichten, openstaande bruggen en files door ongevallen met dodelijke afloop.
Dat gedrag komt echt voort uit de angstige momenten op zaterdagochtend, als er weer niks geregeld was. Zelfs op vakantie, met een rit van twee dagen voor de boeg, word ik kribbig als we om tien over zeven in plaats van zeven uur vertrekken. De eerste keer dat mijn huidige vriendin bij mij kwam eten was ze een half uur te laat. Wat de ontluikende liefde redde was de fles Jack Daniels die ze bij zich had. Ze was overigens niet onder de indruk van mijn gemopper. Nog steeds niet. Zij is easy going, zoals niet-Nederlanders soms zijn. Dat noemen ze dan ‘relaxed’, ik noem dat ‘gewoon te laat’. Wat betreft afspraken ben ik een neuroot, al wil ik eigenlijk niet zo zijn. Ik wil zo zijn als Groninger Museum-directeur Kees van Twist, die zelfs toen hij in de bibliotheek moest voorlezen fashionably late was. Mijn zoon was een van de kindertjes die al een half uur zaten te wachten en mij brak het angstzweet weer uit.
Herman Sandman
Reacties (6)
Weer prachtig, Herman, zo herkenbaar.
Ik kijk al weer uit naar je volgende column.
Deze is weer klasse.
Mooi verhaal weer Herman, maar er werd ook wel eens een leider vergeten. Zat achter een lekkere gehaktbal terwijl de spelers alweer in de SETA kantine zaten met een pot bier!
Dag mannen,
Dat van die leider vergeten kende ik nog niet. Was dat per ongeluk?
Groet, Herman
herman die leider was de heer stef bakker dus per ongeluk????
Ik had al zo'n vermoeden, maar ik zat te denken aan Ruudje.