Een brief van Real Madrid zou met niet minder enthousiasme zijn verwelkomd. De grijns van de voorzitter, die mij de brief overhandigde, had niet breder kunnen zijn: ‘Hier, koukop. Stel mie nait teleur.’ Een uitnodiging voor een selectiewedstrijd voor de Groningse Voetbal Bond! Dít was het, jongens! Dé ontdekking! Eindelijk was opgemerkt dat ik een fantastische voetballer was, hét talent waar de wereld op zat te wachten.
Met S.E.T.A. deden we in de eerste helft van de jaren tachtig (en ook ver daarvoor) hardnekkige pogingen te promoveren naar de vierde klasse K.N.V.B.. We draaiden ieder seizoen mee bovenin en omdat ik nu en dan een doelpunt maakte, was ik opgevallen. In mijn enthousiasme vergat ik dat ik bij de K.N.V.B. geen schijn van kans had gehad, in vergelijking met aanvallers van Appingedam of Be Quick, maar ik was jong, ze hadden gewoon over me heen gekeken en ik zou wel even laten zien dat ik de nieuwe Tony Woodcock was.
Het probleem in zo’n selectiewedstrijd (een in de reeks van waaruit een selectie-elftal van de G.V.B. zou worden samengesteld), is dat elke speler wil laten zien dat hij een soort Jezus is. Met als desastreus gevolg dat iedereen in balbezit aan wilde solo’s begint, met de bedoeling vier man te passeren, via een crosspass over zestig meter de links- of rechtsbuiten de diepte in te sturen en de afgedwaalde voorzet van die sukkel in een keer in de bovenhoek te peren. Alleen wanneer iemand zich volledig had vastgelopen, zag je hem met zware tegenzin in overweging nemen om de bal toch, voor dit keer dan, aan een ander te gunnen.
Wat ik mij van die wedstrijd herinner zijn slechts twee momenten. In de eerste helft kwam ik vrij voor de keeper, ik hielp die kans om zeep en in de tweede helft scoorde ik uit een voorzet. Dat doelpunt kon op twee manieren worden uitgelegd.
Een negatieve benadering was dat ik de bal vanaf de rechterkant veel te hoog voorzette zodat niemand er iets mee kon en de keeper, verblind omdat hij recht in de felle lamp keek (het was een lichtwedstrijd), hem in eigen doel frommelde.
Mijn lezing was: ik deed het met opzet zo. Gebruik makend van een behoorlijke kennis van de wetten van de natuurkunde, plus een meer dan redelijk inzicht in de psychologie van de voetballende mens. Ik was me ervan bewust dat het een lichtwedstrijd was, schatte de situatie vanaf de zijkant in een nanoseconde perfect in en schoot de bal bewust hoog voor het doel, omdat ik wist dat de keeper last van het licht zou hebben, mits ik de curve zo kon preciseren dat de bal precies in de baan van die lichtstraal (gedragen door het licht, als het ware) richting goalie ging. De doelman zou geen idee hebben uit welke hoek en met welke snelheid de voorzet op hem af kwam en aangezien ook hij nerveus was en de ogen van de heren van de selectiecommissie op zich wist, was het onvermijdelijk dat hij in de fout zou gaan. Het was een Kroniek Van Een Aangekondigd Doelpunt, met mij als auteur van het briljante scenario.
Mijn enig probleem was dat ik de enige was die het zo zag. Niemand wilde zien dat ik voetbalde als een schaker, twaalf zetten vooruit denkend. Het zou zinloos zijn geweest dat uit te leggen. In de wereld van het voetbal in die tijd, in die regio, was ik weggehoond, weggezet als een halve gare. Ik heb geen pogingen gedaan het uit te leggen, mij neerleggend bij het lot van een genie op het bal der dwazen. Ze zouden het niet begrijpen.
Ik heb nog een dag of wat op het telefoontje van Real Madrid gewacht, maar naarmate de weken vergleden groeide het besef dat ik toch niet het supertalent was, althans niet in de ogen van de selectiecommissie. In die wedstrijd stond ik met Uco Plat van Westerlee in de voorhoede en Uco scoorde wel. Uco speelde goed, Uco had passeerbewegingen, Uco had overzicht, Uco was snel en het was Uco voor en Uco na. Mijn vader en ik kregen een hand, een opmerking in de trant van ‘don’t call us, we call you’ en inderdaad: nooit meer iets van gehoord.
Ik pikte mijn leven zo goed en zo kwaad als het ging weer op. Ik voltooide mijn opleiding, ging in dienst, kreeg werk in de drukkerij van de Winschoter Courant, verplaatste mijn aandacht naar de journalistiek en ontwikkelde mij tot een fantastische schrijver (grapje). Mijn tekortkomingen als voetballer werden met de jaren steeds duidelijker en het idee dat ik in het betaald voetbal zou belanden geraakte meer en meer naar de achtergrond. De herinneringen aan de selectiewedstrijd verdwenen uit mijn systeem en ik ging er van uit dat ik uit de systemen van de K.N.V.B., G.V.B. en iedereen die verstand van voetballen had, was verdwenen.
Tot ik eind jaren negentig, zowat twintig jaar na dato, op de burelen van de BV Veendam in gesprek kwam met Cor van der Steen, destijds manager bij de plaatselijke trots. Ik werkte als redacteur bij de Veendammer en die krant had tweewekelijks een pagina over de club. Ik moest bij hem zijn voor de laatste nieuwtjes. Wij kenden elkaar niet, dus ik stelde me aan hem voor.
‘Sandman…, Sandman…’, dacht hij hardop, ‘Musselkanaal toch, S.E.T.A., aanvaller?’
Herman Sandman
Reacties (7)
"... en ontwikkelde mij tot een fantastische schrijver (grapje)...." Waarom moet dat "(grapje)" er nou weer bij Herman?
Omdat dat een grapje is.
Herman
Ik blijf tóch fan... ;-)
Ik kijk elke week of de nieuwe column is geplaatst.
Zo, ook nu. En het blijft absoluut lezenswaardig.
12 zetten vooruit denken ??, 6 voor wit en 6 voor zwart??, of echt 12 zetten voor je zelf ???.
Zie je wel, het is heel moeilijk uit te leggen. Laat ik het zo zeggen, ik dacht zover vooruit dat ik halverwege de eerste helft al met de rust bezig was.
Herman, dat is nog niks, ik dacht altijd al zo ver vooruit dat ik halverwege de eerste helft al met de derde helft bezig was ;-)