Bakkertje Drent
Dat Jan Mulder, Arie Haan en Klaas Nuninga bij W.V.V. groot waren geworden was een gegeven. Dat maakte een bezoek aan de Rozenstad niet bijzonder meer. Waarom een uitwedstrijd tegen de trots van Winschoten wel een unieke ervaring bleek, kwam door die ene supporter. Je had in die tijd – waarschijnlijk nog – veel clubs die een fanatieke verstandelijk gehandicapte hadden. Die kwam je al bij het betreden van het sportpark tegemoet om je gezellig uit te foeteren. Op het sportpark aan de Kastanjelaan liep Bakkertje Drent.
Bakkertje Drent was een meneer op leeftijd, we zouden dat nu een senior noemen, toen heette dat een ouwe kerel en Bakkertje Drent deed bij thuiswedstrijden van de hoofdmacht niets anders dan negentig minuten lang schreeuwen. Met zijn hoge stem riep hij dingen als ‘WÉÉVÉÉVÉÉ NAAR VÓÓREN’, ‘HOUD DEN RUIT OP HET MIDDENVELD WÉÉVÉÉVÉÉ’ of ‘POSITIONEER VOOR DEN GOAL WÉÉVÉÉVÉÉ’, hupte als een kieviet rond het veld en wekte met zijn gezwaai de indruk in het veld een stampede te willen veroorzaken.
In zijn voordeel was de beschutte ligging van het hoofdveld. W.V.V. had toentertijd een van de mooiste complexen in de provincie Groningen. Het oogde klein, oud en knus. De hoge bomen aan de zijde van de Kastanjelaan en de diepe tribune aan de andere kant werkten echter als versterkers, zodat aan de aanmoedigingen van de beste man niet viel te ontkomen. De eerste keer dat ik het meemaakte was ik totaal van slag. Ik was gewend aan supporters die de tegenstander aanmoedigden en ons in een moeite door voor van alles en nog wat uitmaakten, maar dit was van een andere orde.
Bakkertje Drent leek totaal niet in ons geïnteresseerd, kéék volgens mij niet eens naar ons. Hij had alleen oog voor de roodzwarte brigade. De eerste tien minuten moest je lachen, keek je elkaar aan met een blik van wat zullen we nu beleven, na nog eens tien minuten had je zoiets van nou weet ik het wel, na een half uur begon het echt te vervelen en na een uur lang kreten als ‘WÉÉVÉÉVÉÉ SCHUIF DEN LINIES DIAGONAAL IN DEN ZONE’ of ‘HALEN ÉN BRENGEN WÉÉVÉÉVÉÉ’ te hebben moeten aanhoren zat je er helemaal doorheen en voelde je de onbedwingbare behoefte om eens EEN GEWELDIGEN STREEP IN DEN BEK VAN DEZEN ONGELOOFLIJK IRRITANTEN SCHREEUWLELIJK te knallen. Je zag het hele elftal onrustig worden. Iedereen kroop in elkaar als die stem weer over het veld galmde. Trainers en leiders begonnen op hun beurt te schreeuwen dat we ons op het voetbal moesten blijven concentreren, maar dan was het natuurlijk al te laat. De concentratie bleek weg en in de rust had je het met elkaar over slechts één ding.
Dat hij negentig minuten als een veedrijver liep te schreeuwen was niet alleen uniek, ook dat wát hij riep klonk niet alledaags. We schrijven de jaren tachtig, begin jaren negentig, maar zijn voetbalwijsheid had hij vermoedelijk uit boekjes als ‘Nou wij boys: van junior tot international’ (1950) en ‘Knok ervoor!: een spannend verhaal over de wereld van het moderne voetbal’ (1979) van Ton van Beers en Ad van Emmenes. Het sloeg helemaal nergens op. Hij had het altijd over ‘LE DIX’, de nummer tien.
Ik werd er in ieder geval knettergek van.
Dat zei ik ook tegen bevriende W.V.V.-ers: ‘Ik word er knettergek van.’
‘Wat dacht je van ons?’, was het antwoord. Wij hoorden het een keer per jaar en als je pech had ging hij met W.V.V. mee naar een uitwedstrijd, maar de Winschoters zelf hoorden het week in week uit. Bakkertje Drent (hij stamde uit een bakkersfamilie) volgde zoveel mogelijk wedstrijden van W.V.V.. In ieder geval de uit- en thuiswedstrijden van de hoofdmachten van de zaterdag- en zondagafdeling, de A-jeugd, die op landelijk niveau voetbalde en wanneer er tijd overbleef stond hij langs de kant bij lagere elftallen.
Henk Mulder: “Ik had er echt een geweldige hekel aan. Bakkertje Drent nam zelfs een honkbal mee. Daar sloeg ie mee op de reclameborden. Daarom werd ie op zeker moment weggestuurd. Hij mocht alleen nog aan de overkant lopen, in de verste hoek, zover mogelijk bij de kantine vandaan. De man bemoeide zich overal mee. DE VENEIZING TOUCH was zo’n kreet, dan bedoelde hij finishing touch, nadat ik weer vijftig meter naast had geschoten. Als we tegen Musselkanaal moesten hoorde je ‘GOOI ZE IN DE MONDING VAN DE MUSSEL’. Dan dacht je: ‘waar heeft ie dat nou weer vandaan?’ Er zat geen spier kwaad in, maar ik werd er ook knettergek van. Ik zei wel eens: hou je toch eens stil. Dat duurde vijf minuten en even later was iemand anders de klos.”
Na een half leven bij S.E.T.A. verheugde ik mij er op om bij W.V.V. te gaan voetballen. Lekker in de luwte, bij het vijfde, met mensen die ik als mijn vrienden beschouwde en eens niet de voortdurende druk om te moeten presteren. Ik zou kunnen trainen wanneer het mij uitkwam, met als gevolg dat ik helemaal niet meer trainde en met café ’t Pleintje als shirtsponsor was onderdak voor de rest van het weekeinde meteen geregeld. Het enige waar ik voor bevreesd was, was Bakkertje Drent. Dat zou je toch mee maken, dat hij daar negentig minuten langs de kant zou staan om jou aan te moedigen? Wat deed je dan? Je kon het niet maken een eigen supporter, iemand die in principe het beste met je voor had, een hijs te verkopen. Gelukkig heb ik hem in die drie, vier jaar dat ik met het roodzwart om de schouders liep nooit gezien. Of hij was al dood, of wij waren niet meer te redden.
Herman Sandman
Reacties (2)
Het befaamde driehoek spel van WVV en op iedere vierkante meter een WVV-er!
Leuk dat dit nog weer een de aandacht krijgt.
Toen ik nog actief voetballer was en dus ook tegen W V V moesten aantreden in Winschoten, begon de trainer met de besprekeing concentreer je op het voetbal en niet aan die vent langs de lijn.
We moesten al weer lachen als hij de bespreking afsloot, en ja hoor hij sloot met de woorden luister verd...
niet naar die vent!!!!!!!!!!!!!!