Vorm is…
Met zijn boek ‘Mysterieuze krachten in de sport’ (1941) bezorgde Joris van den Bergh de sporters van zijn tijd en alle generaties daarna een prachtig excuus om het eigen falen te verdoezelen. Hoewel het een niet al te dun boekje is (222 pagina’s) kan de strekking in één zin worden samengevat: of het presteren wel of niet lukt, ligt aan ‘vorm’. Met name in de voetballerij wordt daar dankbaar gebruik van gemaakt. Er is geen speler die het nog nooit heeft gezegd. Je hebt in het uitduel tegen Tittenexloo iedere bal naast, over of in de handen van de keeper geschoten, je stapt de kantine binnen waar iedereen klaar zit om busladingen kritiek over je uit te storten en je pareert alle kritiek op voorhand met: ‘Ja, jongens, ik was niet in vorm.’
Waarop de bierdrinkende meute begrijpend zal knikken. Inderdaad, al weken niet. De vorm. Als die er niet is, kun je inpakken. Dan kun je net zo goed met een touw naar een hoek van het trainingsveld lopen en een stevige boom opzoeken. Wie ‘uit vorm’ is en dat van zichzelf weet, zal ook in de volgende match struikelen over zijn eigen voeten, bij een schot op doel een kantineraam aan diggelen schieten en na een half uur hijgend en gierend aan het zuurstof moeten.
Je hoort een tienkamper of een biljarter zelden over vorm. De voetballer wel en dat komt omdat hij een aantal voor sporters bijzondere eigenschappen in zich verenigt: een ego zo groot als de gasbel van Slochteren, een ontzettende hekel aan trainen en de aangeboren neiging om falen af te schuiven op oorzaken die buiten hem liggen: de medespelers, de tegenstander, het veld, de bal, het weer, de scheidsrechter. Voetballers zijn klaagmiepen. Elke spits die vier goede wedstrijden speelt en een paar mooie doelpunten maakt denkt meteen dat ie een soort Jezus is en over water kan lopen. Wat overigens niet heel moeilijk is. Het tegenovergestelde, door het land zwemmen, dat is pas moeilijk. Maar goed: als na die vier wedstrijden de productie stokt is het niet van: misschien loop ik ietwat naast mijn schoenen en denk ik dat ik met minder inspanning ook goed werk aflever. Nee, dan zegt hij: ‘De vorm is weg.’
Welnu, vorm bestaat niet.
Vorm is aangeprate onzin.
Niet in vorm betekent gewoon dat je er op dat moment niet alles aan doet. Ook al is voetbal een bezigheid met een fikse hoeveelheid variabelen, zoals inderdaad de tegenstander, het veld, de bal, het weer en de scheidsrechter, de kans op een goede prestatie neemt toe naarmate je beter voorbereid het veld betreedt. Conditie is op te bouwen, techniek is te leren, tactiek kun je er in rammen en zelfvertrouwen kweek je door Katja Schuurman op vrijdag met iedere speler te laten bellen om ze met hese stem toe te fluisteren: ‘doe het voor mij schatje.’ Dan heb je geen vorm nodig. Uit vorm betekent dat er parameters verkeerd staan. De trainer moet gewoon zorgen dat zijn team optimaal geprepareerd aan de start komt en de voetballer moet gewoon eens een keer zijn bek houden en luisteren. Je moet trainen tot je een ons weegt, gezond leven tot de vitaminen en voedingssupplementen je oren uit komen en nog voor Sesamstraat naar bed gaan.
Maar omdat negen van de tien voetballers tijdens trainingen alleen een beetje op doel willen peunen, door de week of bij de frietkar staan of langsgaan bij de afhaal-Chinees, -Griek, -Afghaan, -Azerbeidzjaan en –Eskimo en zich op vrijdagavond in discotheek ‘Pamela’s Boobs’ klemzuipen wordt op zaterdag, als ze de ene been niet voor de andere kunnen krijgen de bekende dooddoener van stal gehaald: ‘Ik ben niet in vorm’.
Ja hoor, mijn slurf.
Het Dream Team van Barcelona onder Cruijff speelde oogstrelend voetbal en ze wonnen veel. Het was tik, tik, tik en de bal was bij Romario die met een wippertje scoorde. Maar dat kwam niet alleen omdat er veel goede spelers bijeen waren, dat kwam ook omdat ze op de training niks anders deden dan partijtjes: twee tegen twee, drie tegen drie, vijf tegen vijf, acht tegen drie, vier tegen zeven, tien tegen vijf. Dag in, dag uit. Zonder doelen en altijd weer die ene regel: één keer raken. Als ze vijf keer in een seizoen afronden op goal kregen, verzuchtte Michael Laudrup in die tijd, dan was dat veel.
Cruijff was ook buitengewoon geïnteresseerd in de methoden van Valeri Lobanovski (1939-2002), de legendarische coach van Dinamo Kiev. Zijn ploegen waren het bewijs dat je spelers standaardsituaties uit hun hoofd kon laten leren en volgens vaste patronen kon laten vrijlopen, zodat ze nog voor het aanspelen wisten waar ze de bal kwijt konden. Toeval en balverlies uitbannen was het streven. Zijn stelling was dat een elftal onverslaanbaar was als het aantal fouten tot minder dan twintig procent werd teruggedrongen. Voorwaarde was natuurlijk dat er een enorme discipline heerste. Een voetballer die zich na vier wedstrijden gedroeg als de zoon van God kon meteen een half jaar als terreinknecht aan de slag. Het is dus heel simpel: trainen, trainen, trainen. Talent bestaat niet, succes is een keuze en vorm is gelul.
Herman Sandman
Reacties (4)
Geen grappige anekdotes uit de SETA-tijd in de column???
Je lijkt wel uit vorm.....of is Katje je nummer kwijt..?
Katja dus...(foutje, was niet in vorm..)
Het moeten niet altijd anekdotes zijn. Maar dit is ook geinspireerd op mijn seta-tijd, want ik was toen meer uit vorm dan in vorm, onder meer door de in het stuk genoemde bezigheden buiten het voetbal. Katja was toen nog te jong. Wij raakten in die tijd gemotiveerd door Pia Zadora, Sabrina, Bananarama (vooral die donkere) en Maywood (vooral die blonde).
Toppie, waar een spits van Seta zijn motivatie vandaan haalde....
De zondagtak zat toen toch meer op Salt-n-Pepa, Mel & Kim en de Wee Papa Girl Rappers.