In de nadagen
Met het opheffen van het zaterdagelftal van De Vogels kwam er een abrupt einde aan mijn voetbalcarrière. Hoewel niet gepland had ik er weinig moeite mee. In een groot deel van mijn leven hadden twee keer trainen en een wedstrijd het ritme van de week bepaald, maar ik was dik in de dertig en er was meer op de wereld. De herinneringen aan kampioenschappen, degradaties, lichte- en zware blessures, rode en gele kaarten, doelpunten en blunders zaten veilig in twee dikke plakboeken en ik vond het best. Toen Helpman 4 mij op zeker moment benaderde, verwachtte ik er ook niet al te veel van.
Een gevoel dat werd versterkt door mijn rentree, die ronduit dramatisch te noemen was. Ik was nooit een Ronaldinho geweest en had nog minder de ausdauer van een Willy van der Kerkhof en na twee jaar niks doen bleek er van welk gevoel dan ook niets meer over. Ik bakte er compleet niks van. De bedoeling was een half uurtje wennen, maar zoals zo vaak waren er weer net elf man, dus ik kon zonder training of warming-up meteen twee keer drie kwartier aan de bak.
Ik herinner mij een schot op doel van dertig meter dat een meter naast ging, het werd me soms zwart voor de ogen en in de eerste helft al struikelde ik over mijn eigen benen en viel voorover in het kunstgras, met als resultaat twee knieën waar het vel vanaf was. Ik besloot er niet omheen te draaien en erkende na afloop ruiterlijk dat het niks was en dat het waarschijnlijk niet veel beter zou worden: “Ik ben een schande voor het voetbal.”
Gelukkig was daar Frank den Hollander die geblesseerd aan de kant had staan kijken: “Dan heb je mij nog nooit zien spelen.”
Waarschijnlijk door dat mentale steuntje besloot ik om het niet direct weer voor gezien te houden en speelde nog enkele jaren in het blauw-wit-zwart. Waarmee de cirkel voor mij rond was, want het originele tenue van Helpman was gelijk aan die van de club waar ik heel lang geleden was begonnen: S.E.T.A..
Uiteindelijk werd ik voor het team een waardevolle speler. Niet de beste, want ik was niet zoals Daan, die elk seizoen twintig tot dertig doelpunten maakte, maar ik bleek een balletje te kunnen vasthouden. Ik zorgde voor rust, voor meer balans, met als gevolg dat ik me ook als een soort rustpunt ging gedragen. Ik hing het aanspeelpunt uit, kaatste als dat nodig was, gaf tikkies breed en zette zo nu en dan iemand vrij voor de keeper. Ik leek wel een slimme voetballer en al was ik de jongste in dat elftal, ik voelde me echt in mijn nadagen en genoot daar van.
In mijn nadagen moest ik vaak denken aan Tjitte Faber, mijn eerste trainer bij S.E.T.A.. Wij waren zijn eerste club als hoofdtrainer en als voetballer was hij zijn nadagen zelfs al voorbij, maar op de training kon hij niet nalaten te demonstreren dat hij eigenlijk nog te jong was voor de nadagen en ons technisch gezien de baas was.
Dat was hij eerlijk gezegd ook. In ieder geval mij. Hij zag eruit als een kruising tussen Benicio del Toro en Robert Plant (in zijn nadagen) en dan anderhalve meter hoog. Hij was sneller dan ons allemaal. Een grote partij was voor hem niet meer te belopen, maar bij vijf tegen vijf was er geen houden aan. Het was dribbelen en dribbelen tot ie zelf scoorde, of iemand met buitenkantje rechts vrij speelde. Het enige dat wij als antwoord konden verzinnen was hem een geweldige doodschop te verkopen, waarna hij het vloekend en hinkend voor gezien hield.
Je kon aan alles zien dat hij de mogelijkheden had gehad om wat te bereiken. Dat vroegen we hem wel eens. Kijk, wij konden niet veel, dat was helder, maar hij, hij moest toch op niveau hebben gevoetbald? Klopt, had ie ook, in Duitsland, voor geld, maar wat mij het meest is bijgebleven is het verhaal dat Tjitte, net aan de slag bij die club, zijn nieuwe Ford Capri in de prak reed.
Zelfs in zijn nadagen beleefde hij de wedstrijden met aanmerkelijk meer vuur dan ik, die in mijn jonge dagen was. Als trainer stond hij garant voor een bak herrie vanuit de dug-out en ik vergeet nooit de uitwedstrijd tegen Westerwolde. Wij kregen een penalty tegen en hun aanvoerder (Bert Meijer, klopt dat?) knalde de terugkomende bal van de lat alsnog in het doel. De scheidsrechter wilde dat goedkeuren, maar dat kon niet, want de bal was door niemand anders aangeraakt. Voor ik besefte wat er aan de hand was, zag ik een regenjas het veld in sprinten. Hé, een regenjas, dacht ik, maar dat bleek een woedende Tjitte.
Daar had ik toen een voorbeeld aan moeten nemen, later en ook in mijn nadagen, maar ik kan me bij Helpman 4 weinig sprints van mezelf herinneren. Vergeleken bij die brandlap was ik een slome duikelaar. Ik hobbelde van voor naar achter en van links naar rechts en op zeker moment viel ik om en toen viel er iemand bovenop mijn knie en toen was het echt over.
Herman Sandman
Reacties (0)