Sliding in de modder
In de zomer ging het nog wel, dan bleef het ’s avonds lang licht, dan je liep in korte broek, met de vakantie nog in je hoofd en als een bal op de akker ernaast belandde, keek je uit over een weids land. In de herfst veranderden wind en regen het trainingsveld in een zwarte modderbrij, fel verlicht, maar omringd door een dichte en donkere rij struiken en bomen. Daarachter lag een mysterieuze wereld. Er waren jongens die zich zonder vrees door de bosjes wrongen en vrolijk schreeuwend de bal gingen halen. Ik voelde mij er nooit op mijn gemak. Zeker niet als iedereen na de training naar binnen ging en je in je eentje moest zoeken. Je wist dat er een grote schuur stond, je wist dat je tegen de achterkant van de huizen aan de Schoolstraat keek en soms brandde er licht bij de Baptistengemeente, maar mijn fantasie ging dan met mij op de loop. Een bal naast richting de kantine was geen probleem. Daar waren mensen, daar stond een deur open. Achter het doel aan de andere kant lag leegte, een duister gat en wie weet stapte je in de twilight zone en werd je ineens op de schouder getikt, of zag je een lijk of een geest.
Meer nog dan het hoofdveld is het trainingsveld het podium geweest waar ik een groot deel van mijn vrije tijd heb doorgebracht. Je trainde altijd meer dan er wedstrijden waren. Je begon er de voorbereiding, als de competitie nog ver weg leek en ook in de winterstop werd je er twee keer per week verwacht. Ik heb er als tienjarige ballen uit de bosjes gehaald, als achttienjarige, als 25-jarige en als 32-jarige. Ik moet er elk plekje, elke millimeter, hebben belopen. Ik ben er blij geweest, onzeker, boos, euforisch, nerveus en verdrietig en ik heb me er verloren gevoeld. Ik herinner me dat we als jongetjes bij elkaar op de schouder gingen, om te kijken of we een glimp konden opvangen van de meisjes in de bijbehorende sporthal. Ik herinner me die keer dat ik na de training een gesprek vroeg met de trainer, omdat ik wilde weten waarom ik uit het eerste was gezet. Ik herinner me de dag dat mijn arm uit het gips ging en ik ’s avonds alweer tegen de muur van het ballenhok stond te schieten. Na mijn dubbele beenbreuk liep ik er voor het eerst weer hard, terwijl ik dacht dat nooit meer te kunnen.
In mijn beleving heeft er nooit een normale grasmat gelegen. Op de eerste trainingsdag zag het er groen uit, maar was het gras weer vermengd met klavertjes, paardenbloemen en een bodembedekkend onkruid waarin je noppen bleven haken. Het was prettig als het eens gerold was, echter: denkend aan ons trainingsveld, voel ik nog de met slijk doorweekte trainingsbroek die om je enkels krulde. Die modder rook naar vuilnisbelt. Geen prettige geur, al was het dan vertrouwd.
De oefeningen veranderden in dertig jaar tijd eigenlijk nauwelijks. Warmlopen en oh, wat heb ik er rondjes gelopen, daarna conditie- of krachttraining, sprintjes trekken, combinaties oefenen, kleine partijtjes, grote partijtjes en tot slot afronden op doel. In gedachten was je elders, vooral tijdens die saaie rondjes. Ik had er een geweldige hekel aan. Je dacht aan het boek waar je in aan het lezen was, het proefwerk van de volgende dag, aan het weekeinde, je stelde je voor hoe het zou zijn om bij Arsenal te voetballen en je verlangde naar de kachel en een kop thee. Als je griepig was, dacht je al in de eerste minuut aan de warme douche. Maar trainingen duren soms wel langer, nooit korter.
Een nieuwe trainer bleek een spannend moment. Dan deed je extra je best, wilde je laten zien dat jij eigenlijk het grootste talent was. Na vier weken was alles weer normaal. Je moest je soms haasten als er Europa Cup-voetbal was. Een enkele keer, in de jeugd, kregen we de keus: gaan we trainen of willen jullie thuis Ajax kijken? Ik lag liever op de bank, maar sommige jongens trainden liever zelf. Dat begreep ik nooit. Op tv zag je toch veel beter voetbal?
Het ergste waren de dinsdagen, wanneer het nieuwe weekeinde oneindig ver in de toekomst lag. Die eerste training van de week leek ook altijd zwaarder, soms deed je een uur niets anders dan lopen. Donderdags was er een andere sfeer, losser en er waren leukere oefeningen. Je mocht om de beurt vrije trappen nemen. Of je begon meteen met een groot partij. Als team hadden we soms zorgen, dan loerde degradatie, in de jaren dat je kampioen kon worden groeide de spanning met de week, tot je aan bijna niets anders meer dacht. Je werd voortdurend aangesproken op hoe mooi het toch zou zijn als…, terwijl er nog wel elke week gewonnen moest worden.
Voetballen in de Veenkoloniën was trainen in regen en wind, ruisende bomen rond een doorweekt veld en in Adidas-jacks gehulde jongetjes die gedwee luisterden naar de aanwijzingen van een fanatieke trainer. De voetballers van nu hebben blitse schoenen, lopen in glimmende trainingspakken. Wij hulden ons in een bij elkaar geraapt rommeltje. Een broek van Scapino, een shirt van Puma, gele sokken en schoenen van Diadora. Het maakte niet uit. Een sliding in de modder en alles was weer smerig en er stonden toch nooit meisjes te kijken.
Herman Sandman
Reacties (0)