De gesprekken in de kleedkamer gingen in mijn voetbaltijd over slechts één onderwerp: wie heeft de grootste? Het ging een enkele keer over wie de beste was, maar ook bij de junioren werd er opvallend weinig over Dinky Toys gepraat. De thematiek bleef beperkt tot het fysiek en meer precies het gedeelte tussen de grote tenen. Omdat de mens gemiddeld gezien niet zo veel afwijkt, waren dat vooral verbale prestigestrijden (we zaten niet aan elkaar of zo) en elke millimeter werd in woord en gebaar bevochten. Ik was gelukkig ook gemiddeld, zoals ik in de meeste dingen gemiddeld ben, dus ik had er minder last van, maar het jongetje in ons elftal dat overduidelijk niet vooraan had gestaan bij het uitdelen stond doorgaans in no time op het trainingsveld.
Een dergelijk gespreksonderwerp komt niet voort uit een perverse geest. Zo zijn mannen. Wij zijn testosteronbommen, in ieder geval tot en met de adolescentie. Wij denken niet met onze hersenen en wij maken overal een competitie van. Dat begint al in de babytijd. Terwijl meisjes rustig met poppen spelen, ’s nachts doorslapen en met liefde hun hamstertje of konijntje verzorgen, is het met jongetjes een en al rock ‘n roll. Ze slapen onrustig, je denkt voortdurend dat er brandweerwagens aan het vechten zijn en de heren zijn niet eerder tevreden dan dat het huis een puinhoop is en pappa en mamma aan de zuip. Mijn oudste zoon zwaaide eens een jong katje aan zijn staart rond, op de klanken van ‘Great Balls of Fire’ van Jerry Lee Lewis. Torens van Lego werden na een seconde tegen de vlakte gebeukt. Toen ik daar mijn beklag over deed op het consultatiebureau stelde de verpleegkundige mij gerust. Het hoort bij het man zijn. Wij moeten eerst de wereld afbreken. Pas als er geen steen meer op de andere staat, beginnen we te bouwen en dan zoals wíj het willen hebben. Ik moest daar maar een beetje praktisch mee om gaan: de muren niet eerder weer verven als ze zestien zijn. Dan liggen ze toch de hele dag in hun nest.
Dat gezegd hebbende is het beter te begrijpen dat er bijna louter mannen in de top van het bedrijfsleven zetelen (en er daar ook een puinhoop van maken). Dames hebben geen zin aan steeds die gesprekken over wie de grootste heeft. Daarom zijn er Ferrari’s, daarom bestaat voetbal en daarom is er oorlog. Je ziet nooit een groep vrouwen een andere groep vrouwen de hersens inslaan. Behalve als er uitverkoop bij M&S is ja, maar een groot deel van de ellende in de wereld wordt veroorzaakt door de onbedwingbare behoefte tot landjepik van mannen met baarden en snorren en mannen zonder baarden en snorren. Ik wil meer dan jij, ik ben beter dan jij, nee ik en ik heb een grotere. Inderdaad, er zijn tegenwoordig vrouwen in het leger, maar dat zijn vrouwen waarvan je denkt: ik snap dat jij beroepsmilitair geworden bent.
Dat in de kleedkamer bijna alle gesprekken over groot, groter, grootst gingen zou te maken kunnen hebben met het feit dat veel van mijn teamgenootjes bij S.E.T.A. uit het Ceresdorp kwamen. Ik weet niet hoe het daar nu is, maar de belevingswereld van de meeste buurtbewoners week destijds af van wat normaal werd gevonden. De rest van Stadskanaal trok een vies gezicht als je ‘Ceresdorp’ zei. Ze hadden daar andere interesses. De mensen gingen er duidelijk niet voor uiterlijk vertoon, vonden werken voor je geld onzin en hadden de mentaliteit dat je de dag ook wel doorkwam zonder je tanden te poetsen. Anderzijds begreep de goegemeente aldaar reeds het belang van massacommunicatie, al was het dertig jaar terug behelpen met 27mc-bakkies en geheime zenders, aangezien internet en YouTube nog niet bestonden.
De beperkte thematiek had evenwel niks met afkomst te maken. Je hoorde dat soort verhalen overal, in elk elftal, bij elke club, om het even in welke plaats, stad, land of continent. Een clubgenoot verwoordde die gemeenschappelijk interesse helder: ‘Bij een nieuwe kijk je onder de douche altijd eerst of ie een grotere heeft dan jij. De volgende vraag is of hij shampoo bij zich heeft en zo ja, of ik daar wat van kan lenen?’
Bij een andere club uit de Kanaalstreek zette de keeper van het eerste eens zijn aanstaande zwager voor schut: ‘Dáár wou jij mijn zuster mee verrassen?’ De mannen van Helpman 4 hadden het vooral over trips naar België. Daar waren foto’s van en dat waren zeg maar fysieke foto’s. De gesprekken bij De Vogels gingen minder over de eigen dingen en meer over die van de mannen in de bossen rond het sportcomplex. Het Stadspark in Groningen was (en is) immers een populaire ontmoetingsplek. Ik geloof dat onze rechtsback zelfs een voesieknakker achternazat toen hij hem in de struiken ontdekte met de broek op de enkels. Alleen de spelers van W.V.V. 5 hadden andere interesses: hoe laat gaan we straks naar ’t Pleintje?
Er was bij mijn eerste club trouwens iemand die overduidelijk wél vooraan had gestaan bij het uitdelen en ik vroeg me serieus af of je daar gelukkig van werd. Hij had altijd even meer tijd nodig om zijn voetbalbroekje aan te doen, bij het masseren bleek het buitengewoon onhandig en het verhaal ging dat zijn eerste meisje op zeker moment vroeg of hij zijn knie wat opzij wilde doen.
Herman Sandman
Reacties (1)
Moi Herman
onderling hebben we het er nog wel e's over, maar de laaste jaren word daar weinig meer over gesproken over die grote weet jewel.
het is nu tegenwoordig voetballen en naar huis, en enkelingen blijfen nog even na zitten in de kantine, voor mij hoeft dat niet meer zonodig.
ben 57 en ik heb het wel gehad,ik ga dan meestal direct naarhuis met mijn vrouwtje, en ja Herman ik voetbal nogwel op mijn ouwe dag.
groetjes Stef