D’r in kleunen
Tegenstanders konden mij vroeger bang maken. De rechtsback van Mussel, de voorstopper van S.P.W. en de midmidden van Alteveer, daar had ik als junior echt ontzag voor. Als ze een beetje hard speelden, een grote mond hadden, of erger: als er fanatieke supporters aan de kant stonden, dan trok ik mijn been terug, verplaatste me in gedachten naar een keukentafel vol met Lego en besloot me verder zo weinig mogelijk met de gang van zaken te bemoeien. Ik wilde dat mensen mij aardig vonden. Ik was opgegroeid in een gezin waar ruzie maken een zeldzaamheid bleek en als anderen boos werden, deed ik er alles aan ze te pleasen. Dat betekende geen dingen doen die de tegenstander niet leuk vond. In een voetbalwedstrijd was dat geen handige instelling, maar zo zat ik in elkaar. Ook bij slecht weer hadden mijn vriendjes weinig aan me. Zij waren streetwise geworden in het Ceresdorp en lieten zich nergens door intimideren, ik was een moederskindje. Ik hield niet van sportcomplexen die in een open vlakte lagen. Dan kwam je ergens in het achterland, boven Smilde, of Kiel-Windeweer en dan gierden wind en regen horizontaal over het veld. Wanneer ik op vreemd terrein een koude kleedkamer met een modderige vloer binnenstapte, was ik al klaar. ’s Winters trainen? Het kippenvel loopt me nog over de rug.
De ironie wil dat ik op latere leeftijd een voetballer was die wel voorop ging. Hoe dat kwam? Geen idee. Ik kan me ook niet een periode van omslag herinneren, nou…, misschien had de diensttijd er mee te maken. In die dagen werd je als jongeman nog onder de wapenen geroepen en of je wilde of niet (ik wilde niet), je moest. In de omgang met twintigjarige jongens uit Amsterdam, Rotterdam en Den Haag werd je vanzelf weerbaar, als je niet wakker wilde worden met je rug vol schoensmeer. Je zou kunnen zeggen dat in het leger de man in mij opstond en toen publiek bij Westerwolde eens vijandig reageerde omdat ik iemand over de lijnen kegelde en een haarband droeg, interesseerde me dat geen reet.
Het moet gezegd: inzet tonen was ongeveer de enige kwaliteit die ik bezat, naast af en toe op de goede plek voor het doel staan. O ja, ik kon best koppen en kaatsen. Waar ik echter vooral om gewaardeerd werd als voorhoedespeler was mijn verdedigend werk. Ik krijg het nauwelijks uit mijn bek maar ik was een soort Dirk Kuijt en zodra er gebuffeld moest worden en ik niet al te moe was van het stappen, was ik van de partij. Ik vond ‘d’r in kleunen’ ook een mooie uitdrukking. D’r in kleunen, zo stelde ik me voor, dat was met twee aambeelden onder de arm jezelf in een hoop mensen gooien.
Met voetballen had het allemaal niks te maken, maar zelfs als je belabberd speelde was je op die manier van waarde. Soms hielp het om een achterstand om te buigen. Ik weet niet hoe het nu is, met wat inzet kwam je in de jaren negentig een heel eind in het amateurvoetbal. Wanneer de tegenstander probeerde op te bouwen begon ik te storen. Achterhoedespelers keken op van een aanvaller die slidings van achteren maakte, d’r vol in ging tijdens kopduels en een bodycheck beschouwde als schouderduw. Er waren er die er van in de war raakten, soms trokken ze zich er niks van aan en soms werden we er beide uitgestuurd.
Trainers hielden er wel van. Ik kan me herinneren dat ik in de drukkerij werkte, uit een nachtdienst kwam en op zaterdagochtend om half acht pas mijn bed in stapte. Om op tijd te zijn moest ik er om elf uur weer uit. Dat was uiteraard niet bevorderlijk voor de fitheid en aangezien het die dag erg warm was liep ik verdwaasd op het veld. Alsof ik alles door een wazige bril zag. Iemand riep wat tegen mij en ik gaf vijf minuten later antwoord op een andere vraag, zoiets. Het enige wat ik goed deed was een medespeler vrij voor de keeper te zetten, verder was het dramatisch. Om toch nog wat aan de middag te hebben, kleunde ik er wat op los en dat kwam me, tot mijn stomme verbazing, op een compliment van onze toenmalige oefenmeester, Kees Bouma, te staan. Terwijl ik na afloop naar adem zat te happen, hoorde ik hem zeggen: ‘…jullie lijken wel een stel ouwe wijven. Neem een voorbeeld aan Herman. Hij gaat tenminste de duels aan. Hier ligt een verdediger op de grond, daar voelt iemand pijnlijk aan zijn been…’. Afgaand op zijn betoog kreeg ik de indruk dat ik als een dolle om mij heen aan het schoppen was geweest. Ik was liever gecomplimenteerd omdat ik tegenstanders met weergaloze solo’s had dolgedraaid, maar dit was voor mij ongeveer het hoogst haalbare.
Bouma was een jaar later minder blij met mij toen hij trainer was van De Pelikanen. We ontmoetten elkaar meteen in de nacompetitie van de vierde klasse en wij wonnen met 1-0, door een doelpunt van mij uit, hoe kan het anders, een scrimmage. Zijn boosheid gold echter het feit dat ik zijn laatste man, ik meen Jan Nieweg, uit de wedstrijd schopte. Dat beschouwde ik toen echter ook als compliment, al hoorde ik later dat het einde carrière voor Nieweg was. Daar ben ik inmiddels minder trots op.
Herman Sandman
Reacties (0)