Ik ben ziek
Terwijl ik dit schrijf ben ik ziek. Hoofdpijn, keelpijn, moedeloos en een gevoel alsof ik in een donkere steeg tegen een chagrijnige Sem Schilt ben opgelopen en tien matrozen zich daarna aan mij hebben vergrepen. Alles doet mij zeer dus, ik ben aan de race en ik heb nergens zin aan.
Voor het werk dat ik doe, achter een computer zitten en stukjes schrijven, is ziek zijn niet direct een probleem. Ik heb een laptop, die zet ik op de keukentafel, de verwarming op tien en ik kan aan de slag. De techniek is heden ten dage zelfs zo ontwikkeld dat ik vanaf elke plek met een internetverbinding de krant kan maken. Ik meld me dus ook niet ziek, maar zeg gewoon dat ik thuis werk, al heb ik wel een afspraak afgezegd.
Dat lukt de voetballer niet.
Die moet.
Afzeggen vanwege griep of verkoudheid is nooit een optie. Dat accepteert geen trainer of leider. Al ben je hartstikke brak, je gaat, want het elftal rekent op je, tenminste als je basisspeler bent. Een vreemd fenomeen als je er goed over nadenkt. In de meer dan dertig jaar dat ik op de velden heb gelopen kan ik me nauwelijks gevallen herinneren van teamgenoten, of mijzelf, die de zaterdagse wedstrijd aan zich voorbij lieten gaan omdat ze zich slapjes voelden.
Dat heeft enerzijds natuurlijk te maken met het feit dat sporters doorgaans een goede weerstand hebben en niet zo gauw omvallen vanwege een virusje, anderzijds: in en rond een club is alles zo gefixeerd op de trainingen en wedstrijden dat het de meesten niet eens zouden durven afzeggen. Dat wordt gewoon niet geaccepteerd. Er is wel eens een speler die er een zaterdag niet bij is omdat zijn tante in Renswoude jarig is, maar die gaat voor en na de wedstrijd over de tong, met als algemene conclusie dat hij zijn team in de steek heeft gelaten. Hoe die oude tante zich voelt als haar lievelingsneefje er niet is, op haar mogelijk laatste verjaardag, dat interesseert niemand een hol.
Als je aan een hernia was geopereerd of je arm of been had gebroken, dan was het duidelijk, dan ging het echt niet, maar in alle andere gevallen moest je van goede huize komen, wilde je thuis blijven om uit te zieken. Je kon zelfs niet hardop zeggen dat het ‘maar voetbal’ was. Amateurvoetbal. Als je huis werd bedolven onder de lava, net als je met je gezinnetje zat te eten, dat was een ramp, maar een keer afzeggen toch niet?
Volgens mijn vader wel. Hij presteerde het zelfs dat ik met zijn instemming later arriveerde op het veertigjarig huwelijksfeest van zijn ouders (mijn opa en oma dus). Belachelijk, zei mijn moeder en later hoorden we dat oma een beetje sneu was geweest. Toen mijn vader leider was hoefde ik ook niet te proberen weg te blijven.
‘Ik denk niet dat ik kom vandaag.’
‘Waarom niet?’
‘Ik ben ziek.’
‘Ziek?’
‘Ja, ziek. Griep, alles doet mij zeer, ik heb hoofdpijn en ik ben misselijk. Ik kan nauwelijks lopen.’
‘Dus je wou thuis blijven?’
‘Ja. Ik ben ziek.’
‘Je weet toch dat we uit tegen Elim moeten? Dat is altijd lastig. Als we deze winnen en de concurrentie verliest lopen we uit. Je kunt niet afzeggen. Dan laat je die jongens in de steek. Je weet wat er gebeurt: dan halen ze Stef uit het tweede en als die er twee in knalt kun je het volgende week schudden. Weer op stap geweest zeker?’
‘Neehee. Ik ben zie-hiek. Ik heb 44 graden koorts. Ik voel me kloten.’
‘Kom eerst maar naar het veld, dan zien we wel verder.’
‘Ik kan niet eens rijden.’
‘Neem dan twee aspirientjes.’
Om van het gezeur af te zijn ging ik uiteindelijk toch. Van dat gebekvecht ging ik me nog beroerder voelen. Het lukte me zelfs niet om voor een training af te zeggen. Dat was dan juist goed, kreeg je te horen. Zweette je de griep er lekker uit. Tot mijn ergernis was dat trouwens ook zo. Een dergelijke houding is in principe wél de mentaliteit, maar sinds die periode heb ik zo’n afkeer van gedram gekregen dat ik de regie van mijn carrière (en leven) krampachtig in eigen hand hou en niks meer van een ander aanneem. Als iemand mij adviseert links te gaan, zit ik al op de weg naar rechts en mijn standaardantwoord is ‘nee’.
Ik kan me van mijn voetbaltijd slechts een keer herinneren dat ik wegens ‘ziekte’ heb afgebeld. Dat was bij W.V.V. 5, na een avondje stappen in Bunde, met een of ander zaalvoetbalteam. Het etentje liep finaal uit de hand. Bij elke zithoek had je een belletje in de muur en als je daar op drukte kwam de ober meteen aanzetten met een dienblad bier en kruidenbittertjes. Op zeker moment dachten ze dat het brandalarm af ging. De rekening kwam de volgende ochtend toen ik om de haverklap boven de plee hing. Ik kroop door het huis en kon niet anders dan afzeggen, al stond de ‘zes punten-wedstrijd’ tegen lijstaanvoerder Wagenborgen op de agenda. Die verloren we dus en dat was best jammer, maar de wereld ging er niet anders van draaien. Het jaar daarop (of het jaar dáárop) werden we alsnog kampioen.
Herman Sandman
Reacties (0)